( Noot van de auteur: dit is een inleiding die tracht de zin van een vooralsnog uit te werken tragedie uit te leggen. In wezen is het bedoeld om pas na het voltooien van het werk zelf openbaar gemaakt te worden, maar het leek gepast aan de omgeving kenbaar te maken waar ik in het heden precies mee bezig ben. Ik hoop dat deze tekst ook zonder de mogelijkheid het werk zelf in te zien onderhoudend is. "Samenspel" is de voorlopige werktitel)
Het is altijd een moeizaam begin wanneer een mens zich waagt aan een werk van "epische" proporties. De problemen die overwonnen moeten worden zijn weerspiegelingen van het verhaal dat met de wereld gedeeld moet worden. Een vraag die opkomt is of het bij een dergelijk werk de auteur is die beslist dat hij/zij zich in de grootsheid van de geschiedenis wil werpen, of dat het een kunstwerk is dat onder de oppervlakte wacht tot een geschikte gastheer gevonden wordt die zijn/haar lust en leven bereid is op te geven om een gebeurtenis in de wereld te brengen. Hoe dit ook moge zijn, een dergelijk auteur en gastheer en een dergelijk kunstwerk hebben zich aangediend. Op het hoe en waar van deze ontdekking is deze inleiding toegespitst.
Wat is het dat mensen aanspoort zich aan een werk van groot maatschappelijk belang te wagen? In de huidige tijd lijkt het veelal overmoedig te denken dat een individu een grootse verandering in de wereld teweeg kan brengen. De wereld is immers "groter" dan ooit tevoren, door de mogelijkheden die nieuwe media ons bieden. Wat betekent dit voor zelfingenomen "wereldverbeteraars?
In ieder geval dat er veel meer wantrouwen te wachten staat op hen die een heling van de wereld als mogelijkheid aan de mensheid voorhouden. Op een lokaal niveau is het veel makkelijker het nut van een gemeenschappelijke onderneming aan te tonen. Een echte wereldverbeteraar moet dichtbij beginnen, zich eerst van eigen puurheid van bedoelingen verzekeren, en vervolgens bij zijn/haar eigen wereld, dat wil zeggen de dingen om hem/haar heen, beginnen. Vanuit een succes op kleinschalig niveau kan de blijde boodschap van een waar wereldwonder verspreid worden.
Of dit werk aan de verwachting voldoet moet de tijd uitwijzen. In ieder geval is een hoge inzet vereist om veel werk te kunnen verzetten. Wie niet naar het hoogste streeft zal dit in ieder geval nooit kunnen bereiken. En welke droom is het die worstelt om boven te komen? Welke hoogste hoop spreekt uit het verlangen de hele wereld te bereiken? Het is een moment, een ogenblik, een kortstondig doch oneindig heel-zijn van de wereld. Ieder mens, dier, plant, mineraal tot rust en zwijgzaamheid gemaand tot enkel het gefluister van de zuiverste bronnen van waarheid ons allen toekomt. Voor het volgende milennium moet eindelijk de keuze vallen: wat ís het goddelijke nu eigenlijk, en wat kan het voor de mensheid in deze "post-moderne", "post-mythologische", "post-absolute" tijden betekenen? En wat bedoelt het wanneer het tot een mens spreekt: "Ik ben dat ik ben"?
De droom is de meest menselijke vraag: "Is er een perfect wezen, en zo ja, wat betekent dit voor mijn leven?"
De auteur manifesteert zich bij deze als voorstander van een realistisch polytheistische wereldbeschouwing, waar goden terecht de noemer "schepper" toegeschreven wordt, maar waarin het onmiskenbaar menselijke van goden niet wordt ontkend. Het is echter niet het doel van de auteur eenieder deze opvatting op te dringen; het is een wijzen op het belang van deze kwestie voor culturele, sociale, ethische, ja zelfs wetenschappelijke vraagstukken, en een oproep tot een oprecht dialoog waarin elk mens een bijdrage kan leveren.
Op welk toneel kan deze strijd der godheden beslecht worden? Welke middelen staan ons ter beschikking om de uitkomst een rechtvaardige te maken? Laten we niet uit het oog verliezen dat "het toneel" niets anders dan de wereld zelf is. De vrijheid van goden is dat zij het toneel altijd bewust in hun ziel meedragen. Zij ontfermen zich als zachtaardige herders over het goddelijke, dat ze op zijn beurt weer op zijn goede tijd duidelijk maakt wanneer het stuur uit handen moet worden gegeven.
Het toneel is hun meest geliefde slagveld. Verwonden willen ze nooit, ten hoogste angst of schaamte in hun vijanden tot leven wekken. Het gevecht is gefeinst in de goddelijke dimensies. De grootste vijanden zijn elkaars meest geliefde minnaars. Zij die willen weten wat zich achter de schermen afspeelt staat echter een lange en eenzame weg te wachten. Het is dit pad dat de auteur verkozen heeft: om achter het alledaagse het ware te vinden, en dit geleidelijk met de wereld delen.
Maar één vraag die in de inleiding beantwoord kan en moet worden blijft over: wat is het dat de "wereldverbeteraars" drijft in hun zoektocht naar waarheid? Wellicht is de nodige aanloop telkens door het werk bepaald, maar de auteur durft te verklappen dat het toch de liefde is die zijn meest innige drijfveer vormt. Het is het ... gedaan willen hebben om ... te kunnen zijn. Met deze laatste woorden legt de schrijver zich toe op de volgende stap, en biedt u hoogachtend zijn voorlopig vaarwel. Het welbevaren schip wil hij zijn dat u naar uw zielsbestemming vervoert.
-Janvier
Bemmidelde communicatie met afwezige geesten
Een goede schrijver bezit niet alleen zijn eigen geest maar ook de geest van zijn vrienden.
- Friedrich Nietzsche
Inleiding
Een man loopt alleen op een bergpad en spreekt. Niemand die hem ziet, zijn enige connectie met de openbare wereld is het feit dat over hem wordt geschreven. Tot wie zijn de woorden gericht? Welk nut heeft de rede in eenzaamheid, en op welke wijze verschilt zij van het alledaagse gepraat?
Teneinde deze vragen te kunnen beantwoorden is het nodig een aantal termen te verhelderen die voor een compacte uitleg vereist zijn. Dit zijn termen die aan een waarheidservaring van de auteur ten grondslag liggen en vanuit deze ervaring zelf uitgelegd worden. Het verzoek is hierbij het oordeel over de juistheid van de volgende aanduidingen op te schorten tot dit stuk in zijn geheel is uitgelezen.
Ontslotenheid is een toestand van een zijnde waarin het direct door het erzijn waargenomen kan worden. Het erzijn is het geheel van ontsloten zijnden en structuren waarin het erzijn zich kan bewegen. Het gaat dit zijnde om zijn eigen zijn; kort gezegd kan het als het "zelf" opgevat worden, met de kanttekening dat het niet opgevat dient te worden als het fysieke lichaam. Wat het erzijn is is niet enkel wat er "onder de huid zit", maar alles wat door het zelf waargenomen kan worden.
Geesten zijn alle zijnden die "tot je" kunnen spreken. Een mede-zijnde is een ander zijnde dat de zijnsaard van het erzijn wordt "toegeschreven." Een weerstand is iets dat in de weg van eigenlijkheid staat. Eigenlijkheid is de mate waarin de eigen wezensdoelen nagestreefd worden. Facticiteit is de situatie die telkens in het nu ontsloten is. Existentie is een zijnstoestand waarin het erzijn zichzelf verstaat, d.w.z. zichzelf op eigen mogelijkheden ontwerpt. Ontwerpen is structureren en kiezen in welke "richting" het erzijn vooruit wil.
Synchroniciteit is het structureel "gelijk lopen" van mede-zijnden.Structuur is een vast patroon van ontsluiten. Factisch ontsloten zijnden worden door structuur "ingekaderd." In een dergelijk kader wordt een zijnde dat het erzijn ter hand is als "tuig-om-te-..." opgevat. Een horizon is een grens die met het erzijn mee beweegt.
Het gesprek met de "spirituele" dimensie voltrekt zich doorgaans als mede-zijn-met-afwezige-... . De eigen geest stelt zich open voor boodschappen die "van buiten" komen. De toenadering van het erzijn tot de buiten-staande geest wordt in eigenlijkheid bepaald door de mate waarin deze geest is uitgelezen. Dit "lezen" dient niet simpelweg opgevat te worden als het lezen van het werk van de betreffende geest, maar als het kennen van diens ontsloten levensloop. In het eigenlijk mede-zijn loopt het leven met het oereigene parallel. Een kleine hoeveelheid "ruis" wordt dan achtergehouden om de wereld als het verschil tussen deze zijnden voor te houden. Een levensloop kan alleen met een ander synchroon lopen omdat het erzijn zelf beslist waar de "levenscesuur" gelegd wordt, en zo ook wat het eigen leven is.
De communicatie van geesten is dus zoveel als "voor-elkaar-denken", en in eigenlijke existentie de versmelting van gezamenlijke grenzen en weerstand. In de moderne tijd is het maar al te makkelijk om het voetspoor van mede-zijnden te ontdekken, waardoor elk individueel spoor al snel af-gevallen wordt. Om tot een versmelting van horizonten te komen moet veelal in het spoor zelf expliciet gemaakt worden waar het om gaat, dat het spoor vastbesloten af-geloopt dient te worden, en waar dit toe dient. Laten we de vooronderstellingen van een dergelijke versmelting aan de orde stellen, waarna we ons op gemeenschappelijke doelen kunnen orienteren.
De vraag naar de noodzaak van eigenlijk mede-zijn
Wat is een filosoof waard in de eenzaamheid? In een dergelijke toestand is het erzijn in-formatie, en komt zo tot zijn oereigen ...-kunnen-zijn en omwille-waarvan. Maar wanneer het erzijn zijn kunnen-zijn geweest is in het verstaan vervalt het al snel, en wordt het geconfronteerd met de eenzame geworpenheid. Zo is het beperkt in de eigen tijdigingsmogelijkheden. Om de tijd tussen het ontwerp en het vervallen te verlengen kan het ontwerp gedeeld worden. Om het ontwerp een onbepaalde duurte geven kan het ver-vuld worden. De weerstand die een mogelijkheid biedt kan dusdanig zijn dat het erzijn tot anderen "toevlucht" moet zoeken.
Maar indien de ander in oneigenlijkheid verkeert kan er geen eigenlijke vervulling van de mogelijkheid plaatsvinden. We zien nu dus dat voor het ont-waren van bepaalde mogelijkheden een eigenlijk mede-zijn-met-... noodzakelijk is. Dan rest nog de vraag: is het factische erzijn naar een dergelijke mogelijkheid "op zoek"? deze vraag kan echter alleen buiten het huidige onderzoekskader beantwoord worden.
Als deze zin uitgelezen is wordt duidelijk wat het antwoord op de voorgaande vraag is. Indien de voorgaande zin namelijk verstaan is en het erzijn is factisch nog steeds aanwezig, getuigt dit van een zoektocht naar een eigenlijk kunnen-zijn.
Nu deze vaststelling gemaakt is moet een manier gevonden worden om de mogelijkheid ontsloten te houden tot de vervulling ervan plaats kan vinden. Eerst moeten de benodigdheden van een ware horizonversmelting "voor ogen gesteld" worden, en zo ook de benodigdheden voor de vervulling van de gekozen mogelijkheid. Als deze doelstellingen in het factisch erzijn ontsloten zijn moeten ze in een open structuur gevat worden.
Om tot een versmelting te komen moeten de gedachtes van de mede-zijnden op een "gelijk spoor lopen." Om vervolgens de weg vooruit te zien moeten de problemen geexpliciteerd worden. Deze problemen moeten vervolgens be-vraagd worden op hun eigenlijkheid en in de rede "opgelost" worden. Voor elk probleem moet een antwoord gegeven zijn. Erzijn moet eigenlijk mede-zijn om de doelstelling "uit te praten", alvorens het besprokene tot uit-voering te brengen. Een nadere communicatiemethode wordt gekozen om verval in oneigenlijkheid tegen te gaan. De tijdspanne van de zoektocht wordt aan de hand van de ontsloten problemen bepaald.
Probleemstelling
I Welke problemen staan voor ons die het beschrijven van een synchroniciteit en het in-werking-stellen ervan verhinderen?
II Welk tuig moet het erzijn ter hand zijn om de mogelijkheid op zijn beloop te kunnen laten?
III Hoe kan en moet dit tuig aangetroffen worden om het gewenste beloop te bereiken?
IV Welke zijnden zijn in deze vraagstelling ter hand, op welke mogelijkheden is het factische erzijn uit, en in welke taal drukt het deze mogelijkheid uit?
V Wat is de zin van vragen zonder meer?
VI Bezinning op de stand van het onderzoek
VII Is een ware horizonversmelting mogelijk, wat kan hiermee bereikt worden en hoe verandert de structuur van het erzijn in een dergelijke ervaring?
De ontsloten mogelijkheden kunnen nu synchroon lopen voor een bepaalde tijdsduur. Hiertoe is een op de zaak toegesneden tijdsmeting vereist. De vragen zullen op verschillende "sporen" uit-gewerkt worden. De uiterste zijnsmogelijkheid die ontsloten is is het "al-zijn." Dit al-zijn is niet alleen het zijn van alle ontsloten zijnden, maar ook het al-zijn-in de gekozen zijnsmogelijkheid. Deze mogelijkheid kan licht verschuiven, maar kent de grenzen van de oorspronkelijkste keuze. De zorgen die in het onderzoek "boven komen drijven" zijn voortekens van problemen die het hoofd geboden moet worden. Wanneer het erzijn het lezen op-houdt spreekt hieruit de overtuiging dat de zorgen niet gegrond zijn in een manifest probleem. Naast het beantwoorden van de bovenstaande vragen rest ons nog de concrete explicatie van de ontsloten zijnsmogelijkheden.
Vraag I: Problemen met oog op het verwezenlijken van een synchroniciteit
Een eigenlijk-lezend mede-zijn is zich doordrongen van twee factoren: enerzijds is het zich bewust van de creatieve verwerkingsslag die geleverd moet zijn om het ontsloten zijnde te kunnen lezen. Anderzijds put het uit het gelezene inspiratie om de eigen problemen het hoofd te bieden. Het feit dat de methodes om creatieve uiting te geven aan de onderhavige impulzen uiteen kunnen lopen betekent niet dat er geen sprake is van synchroniciteit, maar geeft uitdrukking aan de verschillende middelen die tussen mede-zijnden bestaan.
Wat noodzakelijk is en ook fenomenologisch is ontsloten is een bereidheid tot interpretatie en vertaling in tegenwoordige middelen. Het komt er op aan de eigen boodschap "leesbaar" te maken. Wanneer dit als mogelijkheid wordt verhelderd volgt "als vanzelf" het uitdrukken van de gewenste toekomst. Als deze dan op adequate wijze "ver-woord" is kan het bewegen naar die mogelijkheid beginnen.
Vraag II: Het aantreffen van geschikt tuig
Deze vraag is in hoge mate contextueel, maar toch vallen er overeenkomsten aan te wijzen die voor elk erzijn op kunnen gaan. Zo kan bijvoorbeeld gesteld worden dat elk tuig een extensie vormt van de oereigen "ja/nee-keuze." Elk tuig is een verlengde, en heeft als zodanig een "verlangende" functie; enerzijds omdat het de greep op de wereld vergroot, anderzijds omdat het het beloop verlengt en tenslotte omdat het het verlangen naar eigenlijkheid tevens des te groter maakt. Omdat het beloop dat wij onderzoeken in mede-zijn wordt ontsloten moet het "geschikte" tuig als een "medium" voor communicatie dienen. Het erzijn "spreekt" zich telkens uit door alle ontsloten zijnden "af te lopen." De kwantiteit en kwaliteit van de tuigelementen moet ontworpen zijn op de verkozen zijnsmogelijkheid en de "lengte" van het beloop.
Vraag III: Het ontwerpen van tuig op een bepaald beloop
Het tuig dat voor een eigenlijk mede-zijn-in een zelf-ontworpen-...-kunnen-zijn is vereist moet reeds in het verstaan van het er-mede-zijn ontsloten geweest zijn. Het tuiggeheel kan eigenlijk zijn als het door eigenlijk mede-zijnden voor elkaar "klaargemaakt" is. Zo is het erzijn thuis in de gehele wereld. In een geslaagde synchroniciteit wordt door het mede-zijn het zijnde bezorgd dat in het verstaan wordt ontsloten, of het betreffende zijnde of eerdergenoemde mede-zijn nu "in zicht" is of niet. Daarom moet in het factische erzijn het beloop op zijn mogelijkheden ontworpen worden. Het gezochte beloop is dat naar het eigenlijk heel-zijn van het erzijn, d.w.z. een ontsluiting van alle factische mogelijkheden en een systematische keuze daaruit met oog op het oorspronkelijk gekozen kunnen-zijn als factisch te realiseren zijnstoestand.
Het doel van de zoektocht staat het erzijn zo helder voor ogen. "Wij" zijn on-deelbaar tot de vervulling van het gekozen heel-zijn. Hier durft de auteur uit eigen naam te danken voor het verbond dat het factische erzijn is aangegaan. Maar deze naam blijft, evenals de auteur zelf, onbepaald. Wie zou zich de hele waarheid toe willen eigenen als deze waarheid zelf het steunend-mede-zijn inhoudt?
Om nu een helder beeld van het beloop dat ontworpen is te krijgen worden de verschillende ontsloten mogelijkheden en de problemen die hen "de weg versperren" in het verstaan nagelopen en expliciet leesbaar gemaakt. Dit nalopen verloopt in verschillende lagen van al dan niet expliciete structuurmomenten, die in hun fragmentatie de moeilijkheden van het gegeven beloop in het verstaan ontsluiten. Als de weerstand voor het eigenlijk-...-kunnen-zijn gering zou zijn was het erzijn naar alle waarschijnlijkheid reeds "af-gehaakt." Gezien de factische ontslotenheid van het huidige zijnde rest het erzijn niets anders dan het voort-zetten van de rede, tot de zijnsmogelijkheid dusdanige mate van explicatie heeft gekregen dat het onverborgen voor ogen wordt gesteld.
Hier valt nog de kanttekening te maken dat de huidige rede maar één van meerdere mogelijke te volgen sporen is, die afhankelijk van de mate van eigenlijkheid sneller of langzamer het heel-zijn ontsluiten. Het is simpelweg een kwestie van ...-goed-leren-kennen.
Vraag IV: het factisch ontsloten tuiggeheel, waaropuit en de taal
Allereerst moet een uit de vraagstelling voortvloeiend vraagstuk aan de orde gesteld worden: welke zijnden zijn er in welke mate van eigenlijkheid mede? De verenkeling van het erzijn is inmiddels in een op-eigenlijk-mede-uit-zijn overgegaan. In eigenlijk-mede-zijn zijn terhand zijnden "ons" terhand, het waaropuit is het gemeenschappelijk bemiddelde doel, en de taal is opfedeeld in ogenblikken waarin elk afzonderlijk mede-zijn zich verstaanbaar maakt. Zo wordt de gemeenschappelijke horizon voor het verstaan ontsloten. De terhand zijnden en oneigenlijk-mede-zijnden worden omzichtig ontdekt, en in eigenlijke communicatie in hun geheel ontsloten en op alle ontworpen. Het waaropuit wordt in stilte ontworpen en vervolgens in vervolgens in rede tot uitdrukking gebracht.
Enerzijds kan alleen in stilte op eigenlijkheid ontworpen worden, anderzijds kan het erzijn uit de tegenwoordige situatie opmaken dat het reeds op die mogelijkheid ontworpen is en "de goede kant op" gaat. Het huidige proces kan gezien worden als vermaak, dan wel tijd-doding. "Het" is het wachten op ... . Waar op gewacht wordt is de vervulling van de diepste zielewens. "Ondertussen" onthoudt het erzijn de facticiteit en het te bezorgen zijnde als iets waarop "terug-gekomen" kan worden. De constant ontsloten mogelijkheid is de vastbeslotenheid.
De taal is een bonte schakering van metaforen die eigenlijkheid in meer of mindere mate ontsluiten. Of en hoe een uit-drukking verstaan wordt hangt af van de mate van eigenlijkheid waarmee het erzijn de in-druk "op zich in" laat werken. Als metafoor wordt een zin altijd betrokken op een eigen mogelijke zijnstoestand. In het eigenlijk heel-zijn is het steeds één toestand waar talige uitingen zich op betrekken, waardoor de betekenis ervan zich op-stapelt. Vervolgens wordt deze stapel woorden verwerkt in een structuur die naar het heel-zijn leidt. Wat in de factische situatie in ieder geval terhand is ontsloten is een te belezen zijnde en een uitdrukkingsvorm voor de ontsloten mogelijkheden. De taal die "gehanteerd" wordt is het gezamenlijk-kunnen-volgen van ontsloten betekenissamenhangen. Het waaropuit is niets anders dan de synchroniciteit met ... .
Vraag V: De zin van vragen zonder meer
Wat is een vraag? Is het soms een aanzet tot een zoektocht? Welke "sturing" kan in een vraag meegegeven worden? Wat gebeurt er als een vraag onbeantwoord gelaten wordt? Kan een vraag in eerste instantie zonder al dan niet expliciet antwoord te geven gelaten worden "voor wat het is"? Welk ontsluitingscharacter kent een vraag? Is er een fundamenteel verschil tussen een rhetorische vraag en een mededeling? Hoe wordt een vraag teniet gedaan? Kan een vraag een antwoord zijn op een vraag? Wordt de zin van vragen in deze uiteenzetting alleen door middel van vragen ontsloten?
Wanneer is een vraag overbodig? Met welke vraag worstelt het factische erzijn? Welke mogelijkheden worden door de taal geboden? Wat voor soort bewijstzijn schuilt er "achter" een vraag? Wat voor effect sorteert een opeenstapeling van vragen? Hoe wordt een vraag vanuit het eigenlijke verstaan geinterpreteerd? Schuilen er in vragen mededelingen en omgekeerd? Hoe worden vooronderstellingen van een vraag expliciet gemaakt? Wat zijn de vooronderstellingen van deze serie vragen? Kan er zonder vooronderstellingen gedacht dan wel beschreven worden? Wat maakt een vraag belangrijk? Wat maakt een antwoord belangrijk?
Zullen er altijd vragen zijn waarover men kan blijven redetwisten? Zouden dit steeds dezelfde vragen zijn? Is er een grens aan het doorvragen? Zo ja, waar ligt deze grens? Wat voor effect heeft het constant doorvragen op eigenlijke, en welk op oneigenlijke mede-zijnden? Hoe wordt duidelijk aan wie een vraag geadresseerd is? Hoe wordt duidelijk of een vraag beantwoord gaat worden? Welke vragen hebben vanuit functionalistisch perspectief het meeste "zin"? Wat zegt het zitten met veel vragen over het vragende erzijn? Hoe besluit het erzijn dat er genoeg vragen zijn gesteld? Hoe wordt bepaald of een antwoord adequaat is met oog op de vraag? Wat is het verschil tussen een open en een gesloten vraag? Leidt een te veel aan vragen tot onlust? Leidt een gebrek aan vragen tot onlust? Is er een zin die op alle voorgaande vragen antwoord geeft? Zo ja, wat is deze zin?
Iets-voorhand-iets-terhand-mede-met-iema
Vraag VI: Welke zin heeft de voorgaande tekst?
Het oorspronkelijke doel van de gelezen verhandeling is het verhelderen van de zin van communicatie met al dan niet aanwezige geesten. De conclusie is dat communicatie, ook met "rond-spokende" geesten, het bereiken van een openheid van eigenlijke mogelijkheden is. Om deze openheid in mede-zijn te ontsluiten moet uitleg gegeven worden wat betreft begrippelijkheid en voor-zicht. De volgorde van deze verhelderingen bepaalt de weerstand die een tekst biedt. Uiteindelijk is het zinvol om de weerstand zo veel mogelijk uit te schakelen. Hiertoe volgde oorspronkelijk de verheldering die reeds in de inleiding is prijsgegeven. Hieruit blijkt de gelede structuur die dit stuk is doorlopen, en in de huidige facticiteit ongetwijfeld reeds tot uitdrukking is gekomen. Wat nog rest is het antwoord op een vraag die aan het onderzoek zelf is ontsproten.
Vraag VII: Is een ware horizonversmelting mogelijk, wat kan hiermee bereikt worden en hoe verandert de structuur van het erzijn in een dergelijke ervaring?
Deze vraag raakt aan een thema dat vooralsnog alleen impliciet aanwezig was: de psychedelische ervaring. Het psychedelische "dogma" is dat ales wat gedacht wordt ook kan worden vervuld. Het al-zijn in de ontsloten mogelijkheid wordt in de psychedelische ervaring in een adem-benemend tempo de factische ontslotenheid. Een reeds ontsloten mogelijkheid is die van het "over-brengen" van een psychedelische ervaring op chemische basis, d.w.z. met een fysiek, onbewust te gebruiken medium. Een ontwerp kan zo iemand "toe-geworpen" worden. Omdat het ontwerpen zijn grond in de eigenlijkheid kan vinden kan dus ook een oereigen ontwerp overgebracht worden. In het meest omvattende ontwerp, het al-zijn, is het erzijn alle mogelijkheden die hoe dan ook in de wereld ontsloten kunnen zijn, en kan het deze mogelijkheden als voorhand "be-zien."
Het al-zijn kenmerkt zich als "alle schuld schuldig blijven": het al kan alleen als niets ervaren worden. Mogelijkheden worden niet langer gekozen, maar manifesteren zich als de verwezenlijking van een reeds bepaald ontwerp. Als het communiceren van de eigenlijke zijnsmogelijkheid geslaagd is blijft het ontwerp in het verstaan tot de vervulling ontsloten. Reeds is het mogelijk van mede-zijnden deelgenoot van de ervaring te maken. Het waaropuit dient nu door de eigenlijk zijnden expliciet vastgelegd te worden. De verzochte mogelijkheid heeft in ieder geval het character van een monumentaal kunst-werk om in de wereld achter te laten. Zo wordt eigenlijkheid verder ge-deeld onder zin-zoekenden.
Elk mede-zijn draagt een gedeelte van zijn levensloop als te-belezen-zijnde mee, maar zolang de levenscesuur niet gedeeld is kan het mede-zijn niet eigenlijk zijn. Bij het leggen van een cesuur kan het erzijn zich op een nieuwe uiterste zijnsmogelijkheid toeleggen, maar als de oorspronkelijkste keuze niet verwezenlijkt wordt draagt het erzijn dit als "trauma" met zich mee naar het volgende "leven". De wezensstructuren die na een cesuur aangenomen worden zijn ontworpen op de volgende uiterste zijnssituatie. Als laatste opmerking volstaat nog dat het chemische ontwerp maar één van de mogelijkheden is die alle wetenschappen in zekere zin bieden: de toenadering tot het sublieme.
Ethiek kenmerkt zich als "wetenschap" van het goede. Zonder verder op de relativiteit van moraal in te gaan kunnen we echter stellen dat de ethiek wat theorie betreft een vrijblijvend en onbepaald character heeft, dat pas in concrete situaties "be-oordeeld" kan worden. Elke handeling "in naam van" een theorie is in wezen een ...-in-de-schoenen-schuiven van een bepaalde schuld. De "schuldige" blijft een abstract idee bij deontologische theorien, ofwel een individu bij theorien die op de actor zijn georienteerd, ofwel een daad zelf. Ethiek, als praktische tak van de filosofie, is dus het spelen met schuld. Om vanuit het tegenwoordige, filosoferende, erzijn een morele theorie aan te nemen dan wel "op poten" te zetten, is een grondslagenonderzoek vereist. Het filosofische bewustzijn neemt er geen genoegen mee zijn of haar daden achteraf "goed te praten", maar onder-zoekt de huidige situatie en gaat in de wereld naar rechtvaardiging van te voren op zoek. Het zijnde of de zijnden die de filosoof aantreft "delen" de schuld van deze daad. Zo valt, in historisch perspectief, te verklaren hoe Adorno de schuld voor de Holocaust bij de verlichtingsdenkers van universaliteit kan vinden. In zekere zin heeft Kant zich aan alle menselijke gedragingen "schuldig gemaakt". Dat in zijn denken de vooruitgangsdrang van een Hegel ontbreekt is daarom niet verwonderlijk: Kant voelde zich voor de gedragingen van de hele "mensheid" schuldig, en een uitbreiding van de wereld vormt zo automatisch een uitbreiding van de schuld. Dat hierin de westerse cultuur voorop werd gesteld en de rest eigenlijk buiten beschouwing wordt gelaten is geen tekortkoming, maar toont aan dat ook een universaliteitsdenker telkens een horizon heeft: de tijd. Indien de voorgaande uiteenzetting aansluiting vond bij een tegenwoordig vraagstuk kunnen we nu stellen dat "het" inderdaad "mag", maar dat men zich eerst van de consequenties dient te vergewissen. De metafysica gaat namelijk gepaard met het inzicht dat wat gedacht wordt zich in zekere zin al voltrokken heeft. Voor wroeging is er nog tijd, voor terughoudendheid echter niet.
De voorlopige hypothese over de zijnszin van slaap kunnen we als volgt duiden: slaap is vergetelheid. De waarheid of onwaarheid hiervan wordt fenomenologisch ontsloten door het onderhavige onderzoek.
Wat in slaap "vergeten" wordt zijn zorgen, of in sterkere vorm trauma's, dingen waar het erzijn "slaap over verloren" heeft. Vooral kenmerkt de slaap zich als vergetelheid van de zin van slapen zelf; de slaap staat in een structureel verband met de dood. Elke "dag", dat wil zeggen elk slaap-interval, beleeft een mens een moment van doodsangst. Om deze angst te kunnen over-komen werpt het erzijn veelal alle zorgen van zich af om het "zelf" op deze op een oorspronkelijke manier te ontsluiten. In het moment van angst slaat ontheemdheid om in een thuis-zijn-in-... . Zo wordt voor de volgende "dag" energie verzameld. Energie kan echter ook in de ontheemdheid zelf aangetroffen worden, en in deze zin is slaap "over-bodig". Slaap is de meest oorspronkelijke roep, omdat het telkens zichzelf en zodoende de eigen zijnszin afsluit. De mate van vergetelheid is telkens relatief aan de lasten waar het erzijn zich mee opzadelt. Slaap is een "automatische" verwerkingsslag die vanwege het gemak ervan wederkeert. De volgende vraag dient zich reeds aan: hoe kan deze vergetelheid, die op eerste gezicht intrinsiek aan slaap lijkt te zijn, teniet gedaan worden, en wat is het mogelijke nut hiervan?
Slaap is rusten, dat wil zeggen het lichaam ont-zien. Iets laten rusten is iets ver-laten, af-vallen. Slaap is noodzakelijk als te veel zorgen zich opstapelen en de massa van het erzijn te groot wordt om bewust mee te handelen. Slaap manifesteert zich zo als het onder-bewuste. Dromen zijn zorgen die in het onderbewuste naar voren komen, d.w.z. de explicatie van behoeftes die alleen in waan-beelden vanuit de onmiddelijkheid bereikt kunnen worden, en daarna weer in vergetelheid vervallen om het erzijn de volgende "dag" niet te over-belasten. Om van dromen bewust te worden moet de droom voor en na de rust-toestand expliciet worden. Pas vanuit deze explicatie kunnen dromen als een toekomst be-leefd worden. In alledaagse bespreking van dromen wordt mede-zijnden de mogelijkheid geboden zich in de dromen te "mengen." De droomtoestand zelf wordt in on-schuldig-zijn in formele zin ontsloten. De filosofie kan structuur bieden aan het waar en hoe van deze toe-stand. De poezie kan deze dromen rein en grotendeels onbemiddeld tot uitdrukking brengen. De wetenschap richt zich primair op de bestaande structuren zonder deze tegemoet te komen met een waarde-oordeel, maar wel met het oogmerk er "thuis" in te worden en ze te gaan beheersen
Knowledge comes slowly,
The first fact is lonely,
The second is strong,
The third makes the first three wrong.
To the wind my words are dedicated;
To worlds that have been devastated,
And those yet to be born.
Carry to your enemies
Soft and subtle heresies,
For curses are forlorn.
But for a simple rhyme
There simply is no time
Your worlds flow freely into the world
Caress them where it hurts and hit them where it pleases
You will find enough ruin to go around
Wisdom loves and hates unbound
Thoughts in blissful contemplation
Are doomed to be lost in translation
U gaat een wereld betreden die tenminste een beetje verschilt van de wereld die u zich eigen heeft gemaakt. U zult dingen en mensen leren kennen die u nog niet eerder ontmoet hebt. Er staan geen leugens in dit werk, alleen verwarde waarheden. Als de ontwarring eindelijk toeslaat zult u merken dat u alles in dit boek reeds kent, alleen onder een andere naam, een andere zon en een andere maan.
Mijn advies is om u als lezer altijd eerst te vergewissen wat een auteur met zijn of haar werk bereiken wil. In wezen kan dit nauwelijks afwijken van de doelstelling van elke kunstenaar: u van een andere, zelf ontworpen wereld deelgenoot maken. Zoals de aarde geen vaste grenzen kent, maar een immer verschuivende horizon, zo ook vormen deze woorden het heuvellandschap dat u weldra zult betreden.
Aan bergtoppen en afgronden om op de wereld uit te kijken of u er juist in te verliezen zal het niet ontbreken. Tenslotte zullen u de vleugels in mijn werk getoond worden, opdat u in vogelvlucht mijn ziele-landschap kunt overzien. U leest een gave, een overgave. Over en door mijzelf heen grijp ik de heldere toekomst aan, om ons beiden hart met vreugde die over-loopt te vullen.
Maar let op! Mijn afgrond is u niets in eenzaamheid waard, mijn werk wil van nature samen zijn; niet met mensen, maar met ware goden! Deze woorden draag ik op aan de eenzame godin: Eris Discordia.
The best liars might just as well speak the truth.
Nobody can make you turn the page unless you want to.
Truth is nature's own aphrodisiac.
Ecstacy is best experienced well out of sight of aliens.
Magic is the art of lying intentionally, which is why this aphorism is magical.
Save your greatest truths for her or solitude.
To the true ones all lies appear as urges towards self-destruction.
Don't strain yourself to correct the mistakes of others, lest you entangle yourself in their web of lies.
Truth will heal the world, until the greatest temptress pronounces her vows.
Truth is relative to the liar.
Er zitten ook een boel slechte tussen, maar ik heb er wel wat aan gehad:
Q: Denk je dat je #1 ooit nog terugziet?
A: Ik hoop eigenlijk dat zij het is.
Q: Moet je niet weer een keer met Eris praten?
A: Ja, ik wil.
Q: Ben je je ervan bewust dat een godin onaantastbaar is?
A: Ja, maar wat dit precies betekent moet ik nog voor mijzelf en de wereld expliciet maken.
Q: Hoe kan ik Eris vinden?
A: - Ze staat recht voor je neus
- Zo niet, ze is rechts, links, boven of onder je zichtveld.
- Door te wachten
- Ze is er in het einde en begin van elk ogenblik.
Q: Wie zou je nooit van je leven willen zijn?
A: Stephen Hawking of Michael Jackson.
Q: Wie zou je altijd willen zijn?
A: Als ik mijzelf als antwoord geeft ben ik niet op zoek. Maar Janvier is wel op zoek.
A: Omdat ik "te" ambitieus ben.
Q: Doe ik het "verkeerd"?
A: Ja en nee. Er moet altijd iemand verkeerd zijn, het is enkel de vraag hoe lang je het wilt blijven.
Q: Je hebt al stukken geschreven, waar zijn die gebleven?
A: Wellicht zijn ze aan de wereld prijsgegeven.
Q: Is dat geen zonde?
A: Als het interessant is zal iemand het in de openbaarheid brengen. Is dat niet waar het om gaat? Mij wel.
Intermezzo: Er is niet iemand anders "in jou" die antwoord geeft op je vragen. Veelal is het je omgeving, in het bijzonder je mede-zijnden waar een antwoord aan wordt ontleend. Een betere omgeving biedt betere antwoorden.
Q: Heb je het gevoel dat je nu met iets zinvols bezig bent?
A: Ja, ondanks het feit dat ik mezelf mogelijk een grof vertekend beeld van de werkelijkheid voorspiegel.
De onbeantwoordden:
Q: Wat is het zijn zonder meer?
Q: Welke zin heeft de tijdelijkheid?
Q: Wat voor maatschappelijke rol hebben homoseksuelen te vervullen?
Q: Wat is de zijnszin van muziek?
Q: Wat is de zijnszin van dialektiek?
Q: Wat voor waarheid ontsluiten filosofische teksten?
Q: Wat is de zijnszin van ontwerpen?
Vijf wezensvragen:
Q: Wat wil je?
Q: Wat wil je kunnen zijn?
Q: Wat staat in de weg van de vervulling van wat je wilt?
Q: Is er een god of godin?
Q: Wat mag niet gebeuren?
Het mooiste antwoord op alle vragen:
JA!
In welke richting dient deze virtuele ruimte zich te ontplooien? Het is niet enkel mijn speelveld, het is het onze. Roept u maar! Poezie, politiek, filosofie, godsdienst, kunst; dat is mijn insteek. Muziek is ook erg belangrijk, maar ik zal er waarschijnlijk nog een tijdje een interpretatief kader op loslaten. Wie moet het ontgelden, en wie zijn juist de helden? Wie is het gemis, en in wie heb ik me vergist? Wie wil mij op de vingers kijken? Wie wil zijn liefde laten blijken?
Neem je doel voor ogen. Haal diep adem. Blijf stilstaan. Je bent weer begonnen met vooruitlopen.
Ik hoop dat je er komt ; )
Deze vraag is op een vooronderstelling gebaseerd die luidt:
democratie is beter dan aristocratie. Om deze vraag op een
adequate manier te kunnen beantwoorden is het noodzakelijk
deze stelling te analyseren. In de oorspronkelijke zin van
het woord "democratie" ligt de betekenis besloten dat "het volk",
dat wil zeggen het geheel van de bevolking, de macht in handen
heeft. "Bevolking" is gebonden aan een bepaalde tijd en ruimte.
Elk individu heeft in eenzaamheid, d.w.z. zijn of haar
persoonlijke ruimte, autarkie over elke beslissing die gemaakt
wordt. Het is pas wanneer een subject zich een moeilijke taak
voorstelt dat er zoiets als een regering noodzakelijk wordt.
Om een dergelijke taak te bewerkstelligen zoekt het autonome
subject zijn toevlucht tot andere subjecten die de oorspronkelijke
taak interpreteren en aannemen, dan wel verwerpen. Ook deze
beslissing wordt, onafhankelijk van de heersende moraal of
begrippelijkheid, aan het autonome subject overgelaten.
De genoemde factoren vormen simpelweg een kader waarin elk
subject denkt zijn of haar aangenomen taken te volbrengen.
Vanuit deze interpretatie komt een antwoord op de gestelde vraag
reeds in zicht. Een aristocratie, oorspronkelijk: macht van de
"goeden", kan aldus geinterpreteerd worden als: er is een
subject dat zich op een of andere wijze beter voelt dan de
anderen. Dit is zoveel als een directe machtsclaim. Hier
wordt kracht beslecht door de subjecten die "achter" de
aristocratie staan, d.w.z. de subjecten die zich aansluiten
bij de roep om de gestelde taak te vervullen. Welk contrast
is hier met een democratie aan te treffen?
In een democratie verkeert elk subject in de overtuiging
dat geen één subject geschikter is om te heersen dan een
willekeurig ander. Beslissingen worden "als vanzelf", of
"door de politiek" genomen. De hoogste vorm van emancipatie
blijft over het algemeen bij een door onbehagen gevoed gemor,
soms zelfs in een "demonstratie" verenigd, die in wezen niets
anders demonstreert dan de onkunde van de burger in zijn eigen
leven. De politiek verwordt tot een systeem van bemiddeling tussen
meer dan 16 miljoen mensen. Wat er gebeurt is een democratisch
burger veelal om het even, zolang het maar niet "te rechts" of
"te links" is. Door een stem uit te brengen kan eenieder
"de koers aanpassen". Zo wordt voor iedereen, althans theoretisch,
gelijkheid gewaarborgd.
Het wordt duidelijk dat beide termen ideaalbeelden zijn,
die in wezen geen aansluiting in de realiteit kennen.
Een "ware" democratie dan wel aristocratie wordt herkend
aan de mate waarin de werkelijkheid aan dit beeld beantwoordt.
In een aristocratie wordt maar een relatief klein aantal mensen
gehoorzaamd, en zo is de "macht" altijd in enige zin abstract,
omdat de "macht-hebbers" indirect benaderd moeten worden.
Anderzijds loopt men in een democratie het gevaar dat door
oneindige bemiddeling de besluitvorming in besluiteloosheid
overgaat. Gezien beide regeringsvormen tegenover elkaar voor-
en nadelen hebben, is een bemiddeling noodzakelijk, en kunnen
we niet één regeringsvorm als objectief beter dan de andere
interpreteren. Wat overblijft is een voorkeur in de wijze waarop
een subject voor een taak benaderd wil worden, die in elk ogenblik
al dan niet nadrukkelijk uitgedragen wordt. Op mijn persoonlijke
voorkeur zal ik in het kader van deze vraag niet ingaan, maar
zoals de aandachtige lezer heeft opgemerkt laat ik deze wil
lichtelijke doorschemeren.
Mijn dank voor deze vraag gaat uit naar meneer Ronald van Loenhout.
opdat zij hun eigen weg vinden, en mij in het goede moment
de weg niet versperren zullen. De diep donkere lucht zal ik
voor hen met sterren vullen. Wat komt er van ons terecht?
Niets anders dan waar wij ons voor bevinfen, de weg
vooruit, door de poort en verder in het onbekende. In het
moment zullen allen weten hun hoofd omhoog te wenden. Dan
zien ze haar, de godin die niet de mijne is, maar de onze.
Wie durft dan nog te morren of de wenkbrauw te fronzen?
Ze leidt mijn pen, en als ik haar verwen, zucht de wereld
in opluchting. En dan komt de wederkeer in beeld, voor ieder
zo ver als dat zij zich verveelt. Vermaak wil zij van het
gepeupel zien, en dat maakt voor haar de grote vriend.
Nu is ze aanwezig, waar ben ik mee bezig?
Waarom ren ik niet naar haar toe? Vast vraagt ze zich af
wat ik nu doe! Maar de waarheid is haar altijd helder voor
ogen gesteld. Wat heb ik nu aan mijn klein stuk geld, mijn zorgen,
ja voor mijn kleren moet ik me schamen. Wat voor verrassing
kan ik voor ons beramen? Welke grenzen kennen wij? In geest
zijn wij allen altijd vrij, en de waarheid volgt de zuivere
geest. Dit is waar ik ben geweest.
In elk ver land, in elk 's werelds hoeken
Is het huis van Eris niet ver te zoeken
En ook aan haar woord zal het niet ontbreken
In het verlengde van elk der vier windstreken
In zeehonden, lichtflitsen, vogelspinnen
en entreebewijskaartjes valt land te ontginnen
Ons devies: om zich grond eerst eigen te maken
En dan een rechtvaardige strijdkreet te slaken
Als de barbaren zich aan u komen verrijken
En de gelovigen hun messiah bekijken
Leer te durven om niets te lachen
En hijs in haar naam uw heilige vlaggen.
Hail Eris!
We're all wired into a survival trip now. No more of the speed that fueled the sixties. That was the fatal flaw in Tim Leary's trip. He crashed around America selling consciousness expansion, without ever giving a thought to the grim meathook realities that were lying in wait for all those people who took him seriously. All those pathetically eager acid freaks who thought they could buy peace and understanding for three bucks a hit. But their loss, and failure, is ours too. What Leary took down with him was the central illusion of a whole lifestyle that he helped create. A generation of permanent cripples, failed seekers, who never understood the essential old mystic fallacy of the acid culture. The desperate assumption that somebody, or at least some force, is tending the light at the end of the tunnel.
But there is a way around this problem. A way to resolve this fallacy and replace it with valid reasoning.
What is the reason the atomic theory of Democritus is the one that turned out to be true? The usual assumption is that the truth was already there, already present, before science "proved" him right. But this is mere illusion, and can be likened to Plato's assumption that ideas are stored on some metaphysical plane as essences of the things materialized in the world. I am not saying Democritus isn't "right". I am saying he is only "right" following Parmenides' Doxa. Let us follow his Aletheia.
But let us heed Parmenides' advice that there is nothing but the present, and in the present, Evolution is also "right", which dismantles Plato's essentialism.Let us investigate the hypothesis that the "truth" of the nature of the universe is already present before it is discovered or proven. We may refer to it as "posit A"
If this hypothesis is correct, we humans have only an empirical task, for we can simply observe this nature and describe it, thus documenting "truth".
But if this is so, whence does disagreement come from? Is it merely a result of fallible measurement?
What, then, is a paradigm shift? The proof being discovered of mass delusion? Then how do we know that we ourselves are not deluded?
If this hypothesis is incorrect, then this truth must be somehow created through the process of inventing, discovering and proving. This is "posit B"
But how, then, does truth come about?
Is truth perhaps merely that of which most people are convinced?
Is the truth that which men hold on to with greatest resolve? That which is most deeply-rooted? The things "on which we agree"?
Let us examine the first hypothesis.
If it is true, how, then, do new ideas come about? If it were true, there would be no reason ever to change one's mind,
because the idea would always correspond to the truth. There are clusters of people who have different paradigms, but what is it that persuades men to assume a
different paradigm? Is it some external force? By Occam's Razor, we should discredit that idea.
If it is false and posit B is true, then either the second hypothesis or some other explanation are true.
Let us then examine the second hypothesis. This is posit X.
If it is true, then the conviction of men is the measure of things. And I am willing to stake anything that my conviction that LSD is the way into the future is stronger than anything any rhetorician can throw at me.
If it is false, then I am wrong.
If posit x is correct, than the light at the end of the tunnel is indeed tended to... By those who are yet to come. Everyone who trips now, reading Leary's and other trips, is the tender. We are gods watched over by gods yet to come. Like Nietzsche points out: man is both creature and creator.
What are the practical consequences?
Well, it's quite simple. The people who trip write history. Literally.
Tripping is the refined form of something present throughout history: creativity. The mushrooms and other psychedelics have been
because he thought people would piece this together by themselves. He didn't understand they wouldn't be able to if he fed it to kids...?
But of course, the kids are a lot more easily convinced of the merits. I see it a bit like this:
All men have piles of assumptions, their maya, their illusion, and the longer they stay wrapped in it, the more difficult it becomes to break it down.
So it is easier for children to be made free of maya. But that isn't necessarily good... Because a child free of maya might forget the necessity of it.
More maya means growth, intellectual and spiritual.
V
o--------------------------------------
The line is maya, and the V is the individual, travelling from no maya to overcomplication, only to collapse and return to no maya.
The maya you internalize during this cycle feeds the next. Using LSD will return you to no maya instantly.
And that is how I use it. I soak up information like a sponge, internalize it, go back to an enlightened state so I may rearrange it into the truth of the future,
then start over again.
The universe is thought-like. It folds in upon itself and creates links between different places in space-time. Through the bi-lateral flow of ideas between these two places, creativity arises. The exchange gives each more than they had before.
In an effort to distinguish myself from my clueless classmates I am working on an analysis of the internet era in line with Marshall McLuhan's famous credo "The medium is the message." The setup is as follows:
This work attempts to answer a number of questions about the effect of the internet on society:What are the distinguishing new features of communication made possible by the internet?
What paradigms are developed and what paradigms disappear within the altered form of communication?
To what degree are these changes in communication and paradigms translated to "real life"?
However, for these questions to be properly answered it is necessary to gain an extensive understanding of what online communication entails and how it has developed. To this end, the first part shall consist of a number of investigatory essays into the nature of the information age.
Part I: The Information Age cometh
Subtopics:
- Concepts of the world wide web before its debut
- The early days: mail, usenet and HTTP
- The dream of free information and instant worldwide access
- Instant communication: IRC and instant messengers
- Towards internet communities: Social networking, BBS, Blogs, imageboard and wikis
Part II: ONLINE COMMUNICATION LOLWUT
Subtopics:
- ???
For now the plan is to focus on internet ethics, paying homage to trolls who cleanse the web of stupid.
Before Darwin, God was the answer to the mystery of our ingeniously designed world. Darwin produced a much more elegant, believable and scientifically credible alternative. Therefore, God was obsoleted.
Yes?
No.
"God" is not merely that answer. "God" exists, though I'm not going to argue whether or not divine existence predates human existence. Even if "God" is merely a creation of man, what a creature it has become. Does "God" think? Does "God" will? How powerful is "God", really?
To me, the metaphysical question is: is God more than just the meme "God"?
Have you ever been in the idea world, the one Plato so passionately describes? Have you ever met God there? Did you have a chat?
(my interest in these matters extends beyond just the christian conception of god)
The spirit realm has accepted this. You are probably yet to. The signs that I am on the right path are everywhere. It just takes the right eye to see it that way.
If you have that eye...
Well, I'm not ready to dream about someone who would.
I'm working on something of an artistic expression of my vision. It's going to be more than the sum of a book, film, game and interface.
The first thing that it "is" is a five act tragedy dedicated to Eris, the eternally underappreciated and maligned child of Greek mythology. I want it to reflect my admiration of her divinely beautiful influence throughout the pages of human history.
The second thing it "is" is a fully customizable environment, being fed multiple synchronous streams of information. This allows for ample easter eggs and perhaps even a message encoded in a way that can only be interpreted by the most perceptive audience.
It took me a while to wrap my mind around the fact that Aldous Huxley didn't write some "dystopian scenario". He wrote about reality, from a radically different perspective. A perspective that has come alive in me.
The last couple of months have been a time of deep introspection, reading, meaningful dialogue and, like it or not, ritualistic drug use. The Doors of Perception are high on my to-read list.
Through all these events, my own way is coming into clearer view. I certainly want to become a great leader, but I abhor all the types of leadership I saw growing in most of my fellow students. The kind of "smile and shake hand"-leadership I saw the aspiring marionettes engaging in. It's clear to me that my peers are a lot better at "learning" than I am.
Like a wine taster, I take small careful sips of civilization, focusing intently on all its aspects... And then, spit it it out again and cleanse after I have learned what I needed to know. If you swallow, you won't last to taste all the brands.
I am willingly and knowingly in the fringe of society. Perhaps I couldn't be more wrong in your opinion, but I'm convinced there will be a time when I could not have been more right.
Very good. Now go back to the beginning and question everything.
PS: HIMEOBS = HIGH MOBS
They say that what is posted to the web can never truly be cleansed. Let's hope this is the case and my muffled protest will eventually reach someone who will be intrigued by it.
You see, reading Sun Tzu, Machiavelli and Nietzsche has probably driven me right out of the boring slumber that most call sanity, and into the firm conviction that I should overthrow my government.
I don't think Machiavelli ever meant to say that the end justifies the means. I think he meant to say what the Oedipus cycle tells us, that true greatness must be paid for dearly in suffering. I expect nothing less than to be brought to justice - whatever it may be - by the human courts or the cosmos itself.
I accept my Moira as a sinner, but counterbalance it with my solemn vow that I will strive for excellence in every way. And thus I hope to restore to the world a beauty it hasn't seen for a long time. As Machiavelli suggests, Fortuna should be treated like a woman; I want to make love to the fate of the world.
Determined, then, I am. Determined to bring about change, for better or for worse. But whatever the end result, my hope is to finally introduce a new page into the history books. The Art of War and de Principatibus by my side as handbooks, I laid the first stone of what is to be the foundation of my plans.
Immediately, a difference of our times with those of Machiavelli and Sun Tzu struck me: decentralized leadership. Verily, democracy is an ingenious machine; if you take out the appointed leader, you've done close to nothing to bring down the system. If it's so hard to overthrow by means of taking out the leader or any small amount of individuals, how hard do you think it is to change the ways of the system if its convictions are wrong? Now suddenly this so-called freedom in democracy starts to look like the best-designed cage for those who pursue greatness. I call out democracy to tell me what it has achieved in all these years that the humanism of the modern age that accompanied it hasn't. Do you think it's impossible for a new enlightened despot to rise?
Democracy finds its basis in compliance and lack of will to real accomplishment. It has turned leadership into a cold calculating machine, instead of a vibrant, feeling being. What virtues do you see in this system that you could not see personified in a single man or woman? In the days of the Enlightenment when constitutions were drawn up, it was easy to strive for equality, when the monotone hum of modern life was still a hymn to the acts of justice and injustice that were all in abundance. Now we are happy to see any act at all. And why? For some paranoid sense of security? Even if it means life comes in pre-packaged, bite-sized, sterilized, pasteurized, genetically enhanced chunks?
You watch Fight Club and you fashion yourself a true Dionysian rebel to have heard and understood its subversive message, but you haven't the balls to actually do something. In this respect, television is like the shadows on the walls of Plato's cave. Don't confuse seeing life lived with living it yourself. I surmise that it is easier to venture outside now than it was when Plato suggested it.
